Tekst: Hans Groen | Foto’s: Ruben Snitslaar, www.klatser.com

Maandagochtend kwart over vijf. Ik loop met de honden op het strand. Om half zeven moet ik in de auto zitten om de file naar Amsterdam voor te zijn. Het is donker. In het oosten nog geen licht te zien. Het is stil. Scheveningen slaapt. De boulevard is leeg. Het is winter. Een kilometer naar het zuiden wordt gewerkt. De zandsuppletie is in volle gang. Geruisloos.
Ik loop iets verder naar het noorden richting de pier. Het vermoeden wordt bevestigd. Er staan golven. Misschien maar een metertje. Het tij kabbelt. Ongemakkelijk! De natuur roept! Gewetensvol! Ik moet erin! Gehaast roep ik het vee bij elkaar. Snel aan de riem en in galop naar huis. Waanzin! Inmiddels is het kwart voor zes. Nog drie kwartier! M’n hart trekt dit niet!

Als een vis die zojuist van de haak is gehaald en barmhartig wordt teruggegooid, glijd ik op m’n board het water in. Koud! Als een junk! Het lijf trilt. Meedogenloos! Ik zie niets! Ik hoor niets! In m’n mond slechts de smaak van zeewater. Angst! M’n kop houdt het niet bij elkaar. Ik pis in m’n pak!

Rilling volgt op rilling. De kustlijn trekt voorbij. Er komt een set door. Ik voel hem. De tweede pak ik. Backside naar links. De rechterhand aan de rail. Een heel eind. Zuurstof! Ik ontspan! Nog een keer…
De smaak van zeewater!